Maandelijks archief: augustus 2013

Vechten

Ik vecht voor mij.
Ik vecht tegen mij.
Ik vecht en vecht.
Zo voelt het
en ik ben uitgeput.
Ja, maar ik vecht voor vrede, denk ik dan.
Vrede in mezelf.
Vrede voor de mensen om me heen,
van wie ik zo veel hou.
Maar het voelt niet goed,
dat vechten
en ik voel geen vrede,
integendeel.
Ik voel dat ik binnenkort niet meer kan.
Ik voel dat mijn lichaam het niet meer kan bolwerken.
Ik voel dat ik constant een gevecht aan het leveren ben,
als een vis op het droge,
snakkend naar adem.
Een ongelijke strijd.

Ik wil niet vechten,
ik hou niet eens van vechten,
ik wil juist rust.
Heb dat nodig.
Rust in mij.
Rust om me heen.
En toch dat vechten,
dat eindeloze vechten.

Als ik nou eens stop met vechten…
Als ik nou eens stop met vechten?
Stoppen met net doen alsof er niets aan de hand is.
Stoppen met de koppen in het zand.
Stoppen met uitstellen.
Stoppen met vluchten.
Stoppen met geduld hebben.
Stoppen met die nachtmerries.
Stoppen met verkrampen.
Stoppen met gratis pijn.
Stoppen met vechten om mezelf te zijn.
Ik moet gewoon mezelf ZIJN.
Nu, niet morgen.
Nu!
Níet morgen.
Niet op het meest geschikte moment,
want dat moment zal nooit komen.
Het moment is nu.

Ik ga stoppen met vechten voor mezelf.
Nu is het moment
om mezelf te zijn.

Advertenties

Kuiltjes

“Mam, wat heb jij rare schouders!”

“Rare schouders? Hoezo?”

“Nou moet je kijken, je hebt kuiltjes in je schouders.”

kuiltjeMet ontbloot bovenlijf sta ik met mijn rug naar mijn dochter toe gekeerd. We kleden ons om. We delen samen een kamer op ons vakantieadres.

In de spiegel kijk ik naar mijn schouders. Inderdaad, ik heb kuiltjes. Flinke kuiltjes wel. Kuiltjes in mijn schouders, daar waar mijn BH-bandjes, als ik een BH draag, in mijn vlees klieven.

“Ja” zeg ik “die borsten zijn een zware last op mijn schouders”. 

“Dat moet echt pijn doen” zegt ze zachtjes.

“Letterlijk én figuurlijk”, denk ik verdrietig én vooral pissig. Ik heb steeds meer afkeer van ze.

Ben benieuwd of die kuiltjes ooit nog zullen verdwijnen. Mocht het niet zo zijn, dan zie ik het maar als een guitig aandenken aan mijn rijk gevulde decolleté tijdperk . Net zoiets als kuiltjes in je wang of in je kin denk ik dan maar.

Kop in het zand

De laatste dagen van mijn vakantie zijn aangebroken. Ik zit op het strand. Op mijn verstelbare stoel met een boek. Heerlijk relaxed. De zee spiegelglad. De temperatuur aangenaam. Mijn zoon zoekt naar kreeftjes tussen de rotsen, mijn dochter graaft een diep gat in het zand en mijn man slentert ergens wat rond. Ik geniet van de rust en van mijn boek. Geen wolkje aan de lucht.

Maar dan. Ineens en vanuit het niets word ik aangevallen. Keihard en onverbiddelijk. Pijnlijk. Overvallen door mijn echte ik. Dit had ik niet verwacht. Lichte paniek slaat toe.

kop in het zandTot nu toe heb ik best genoten van deze vakantie. Een kop-in-het-zand-vakantie. Even geen moeilijke gesprekken. Even geen confrontaties. Even rust. Bewust zo gedaan en dat voelt goed, hoewel het tegelijkertijd ook nep en ietwat naar voelt. Onderhuids gebeurt er natuurlijk van alles, dat is onvermijdelijk, maar deze lange weken weg van huis zijn fijn. ‘Gewoon’ zoveel mogelijk samen genieten. Dat is ons goed gelukt.

Ineens dus dat moment dat het me niet meer lukt om die muur om me heen te laten staan. Plotsklaps dat moment waarin mijn werkelijke gevoelens in alle hevigheid mijn lichaam binnen denderen. Dwars door die beschermende muur heen. Onder mijn boek door zie ik mijn bikini, mijn rondingen, mijn vrouwenlichaam. Er valt weinig te verbergen in badkleding. Ik voel walging. Ik heb kotsneigingen. Letterlijk. Ik zit kokkend in mijn stoel. Verdomme, mijn keel doet ineens enorm veel pijn. Ik voel me benauwd. Snak naar adem. Ik voel de paniek toeslaan.

Ik kijk om me heen. Gelukkig is er op dit moment niemand in de buurt. Niemand heeft het in de gaten. Ik laat de gevoelens toe. Ze mogen er zijn, want ze zijn er. Er tegen vechten heeft geen zin, dat weet ik inmiddels wel. Langzaam aan ebben ze weer weg. Ik voel me weer steviger worden. Met tranen in mijn ogen. De pijn in mijn keel blijft. Zeker nog wel een half uur. Alsof iemand geprobeerd heeft me te wurgen en ik ternauwernood ontsnapt ben aan een gruwelijke dood.

Ik leun achterover in mijn stoel. Slikken gaat moeilijk. Ik sluit mijn ogen. Over een paar dagen weer naar huis. Terug naar de werkelijkheid. Daar waar mijn man me niet kan accepteren. Daar waar ik niet langer als vrouw door het leven kan. Ik maak me op voor de volgende fase. Er is geen ontkomen aan. De koppen weer uit het zand.